
Ik ben opgegroeid op wat je een kleine boerderij zou kunnen noemen tussen de kippen en schapen, een konijn en een cavia, met honden en katten, een paard en één koe. Mijn papa was geen boer maar een hobby-slager. Ik heb van kleins af gezien hoe dieren gekweekt werden en geslacht. Soms met tranen. Altijd met respect.
Daar heb ik geleerd waar eten vandaan komt. Dat het niet vanzelfsprekend is, en dat er zorg, tijd en toewijding achter zit. Onze diepvries zat altijd vol met vers, verantwoord vlees.
Aan de Sint vroeg ik nooit speelgoed. Wel pannetjes en kookpotjes, later chocoladevormpjes, en op een dag een bain-marie op kinderniveau om mijn eigen paaseieren te maken. Elke zondag keek ik met mijn papa naar 1000 seconden. Dat was het hoogtepunt van de week: samen genieten, bijleren, proeven met onze ogen.
Kwamen er vriendinnetjes spelen dan vroeg ik of ze zin hadden om te bakken. Veel ruimte voor een ander voorstel was er niet. Tijdens de middagpauze op school fietste ik zelfs naar huis om snel nog een stapel suikerwafels te maken — deeg én bakken, in één uur. Dat was geen moeite voor me hoor, dat was gewoon puur voor het plezier !
Mijn vaste gebak was de chocoladetaart uit Het grote griezelkookboek van Roald Dahl. Dat boek leende ik tientallen keren in de bibliotheek van Zedelgem, en mijn mama moest het even vaak gaan verlengen. Op mijn vijfendertigste heb ik het eindelijk zelf gekocht.
Uit Tiny in de keuken maakte ik mijn eerste chocomousse, waarvan de gesuikerde appels in mijn geheugen gegrift staan — al zijn daarbij drie pannen van mijn mama gesneuveld omdat de karamel telkens verbrandde.
Een eigen restaurant beginnen voelt daarom niet als een sprong in het onbekende. Het is een droom die al van jongs af aan zachtjes lag te sudderen. Het is thuiskomen.
designed by Baron - teksten door Sabine en Vicky